AANDOENINGEN TE WIJTEN AAN GLUTEN

Granen vormen de basis van de voeding overal ter wereld. Ze worden verwerkt tot brood, pasta, griesmeel, … Technologisch gezien bezitten gluten, die in sommige granen vervat zijn, verschillende interessante functionele eigenschappen voor de agroalimentaire bedrijven. Glutenbevattende granen liggen spijtig genoeg aan de basis van verschillende overgevoeligheden: coeliakie, niet-coeliakie glutensensitiviteit (GS), allergie tegen granen, tegen rogge, tegen gerst, tegen haver, herpetiforme dermatitis en gluten ataxie.

Coeliakie

Het gaat over een auto-immuunziekte, wat betekent dat het lichaam anti-lichamen aanmaakt tegen haar ei­gen weefsel als het in contact komt met gluten (en meer bepaald met gliadines). Ongeveer 1% van de algemene bevolking wordt er door getroffen, maar veel personen zijn onwetend van hun ziekte. Coeliakie kan voorgesteld worden als een ijsberg. De zichtbare top groepeert de klassieke en niet klassieke (atypische) symptomatische vormen, het ondergedompelde deel verzamelt de vormen zonder of met weinig symptomen. Soms manifes­teert coeliakie zich enkel op gebied van de huid; dan gaat het over een herpetiforme dermatitis.

Bij blootstelling aan glu­ten kunnen de manifestaties intestinaal en/of extra-intesti­naal zijn.

De diagnose begint met een bloedname die specifieke anti-lichamen opzoekt. Als ze aanwezig zijn, zal een specialist een intestinale biopsie uitvoeren ter hoogte van het duo­denum om de coeliakie te bevestigen.

Voor de behandeling moet gluten uit de voeding geschrapt worden, levens­lang. Er bestaan verschillende alternatieven: ba­sisproducten die van nature geen gluten bevatten (rijst, maïs, peulvruchten …) en producten die specifiek ont­wikkeld zijn zonder gluten (pasta, brood, koekjes, meng­sels voor pannekoeken, enz.). In de meeste gevallen verdwijnen de symptomen als het stricte dieet zonder gluten gevolgd wordt. Als dit niet nauwgezet wordt gevolgd, verhoogt op lange termijn het risico op sommige kankers (vb.: adenocarcinoom van de dunne darm, T-cel lymfoom van de darm).

Niet-coeliakie glutensensitiviteit

GS is een vorm van gluten intolerantie waarbij personen symptomen vertonen of een verergering hiervan, volgend op het nuttigen van voedingsmiddelen die gluten bevat­ten, zonder dat ze lijden aan coeliakie of aan tarwe aller­gie. Het mechanisme is nog niet duidelijk opgehelderd en de verantwoordelijke component is nog niet geïden­tificeerd; het zou kunnen gaan om een andere compo­nent dan gluten. De term GS is voor discussie vatbaar en zou in de komende jaren kunnen vervangen worden door « niet coeliakie tarwegevoeligheid », aangezien de andere granen misschien niet verantwoordelijk zijn voor symptomen.

GS wordt vooral beschreven bij volwassenen, maar treft ook kinderen.

De symptomen kunnen gastro-intestinaal of extra-intestinaal zijn en manifesteren zich verschillende uren tot zelfs dagen na het innemen van voedingsmiddelen die gluten bevatten. Klassiek observeren we symptomen die lijken op die van Irritable Bowel Syndrome (IBS), met inbegrip van buik­pijn, opgeblazen gevoel, anomalieën van de darmwer­king, evenals systemische symptomen zoals moeheid, hoofdpijn, « verwarde geest », spier- en gewrichtspijn, huidaandoeningen (zoals eczeem), anemie.

De diagnose begint met een klinische ondervraging (relatie tussen blootstelling en manifestatie van symptomen). Vervolgens zal de arts nakijken of u niet lijdt aan coeliakie of tarwe allergie. Tenslotte zal de diagnose bevestigd worden door een herintroductie van tarwe na een bepaalde periode van glutenvrij dieet, om te obser­veren of dat symptomen uitlokt.

Volgens de aanwijzingen van de dokter, een glu­tenvrij dieet (strict of soepel) moet gevolgd worden of een dieet zonder tarwe.

Tarwe-allergie (TA)

Het gaat om een ongunstige immuunreactie tegen de ei­witten uit tarwe, en die zich voordoet enkele minuten of enkele uren na de blootstelling aan gluten.

Afhankelijk van de wijze van blootstelling en van de be­trokken immunologische mechanismen, spreken we van huid TA, gastro-intestinale of respiratoire TA, van inspan­ningsgéïnduceerde anafylaxie, van astma, van rhinitis (« bakkers astma of rhinitis », die beroepsziekten zijn) en contactnetelroos.

De klassieke tarwe allergie (acute uitingen en atopische dermatitis) komt meer voor bij het kind, terwijl inspan­ningsgebonden anafylaxie meestal optreedt bij de ado­lescent en volwassene. Professionele ademhalingsaller­gieën (astma, rhinitis) treffen personen die herhaaldelijk in contact staan met meel (rondzwevend).

De klinische tekens in het geval van voedselallergie voor tarwe zijn van verschillende types: aan de ene kant in­spanningsanafylaxie en aan de andere kant symptomen zoals atopische dermatitis, netelroos en anafylaxie. Men kan ook ontsteking van de slokdarm of van de maag ob­serveren, buiten de acute reacties.

Bakkersastma is een allergische reactie tengevolge van het inademen van meel van tarwe en van andere graansoorten en van stof.

Bepaalde patiënten die allergisch zijn voor tarwe zijn ook allergisch voor pollen van grasachtigen.

De allergoloog zal vra­gen stellen en testen uitvoeren om de diagnose te bevestigen of te ontkrachten. Om een graanallergie vast te stellen, baseert men zich hoofdzakelijk op het resultaat van huidtesten en van een bloedname waarbij naar speci­fieke antilichamen wordt gezocht. Nochtans is in veel ge­vallen de orale provocatietest noodzakelijk om de diagno­se van voedselallergie te bevestigen. In bepaalde situaties vereist de diagnose een biopsie. Wat de tarweafhankelijke inspanningsgeïnduceerde anafylaxie betreft, start de di­agnose over het algemeen door een provocatietest tegen tarwe gecombineerd met lichamelijke inspanning en/of as­pirine. Voor bakkersastma en rhinitis, baseert de diagnose zich op de klinische geschiedenis, het zoeken naar speci­fieke antilichamen via bloedname en soms een bronchiale of nasale provocatietest.

Volgens de situatie moet ofwel tarwe volledig worden geband uit de voeding, ofwel alleen isolaten. De arts zal misschien bovendien medicatie voorschrijven. In geval van bakkersastma waar de reacties volgen op in­ademing, moet men de respiratoire blootstelling aan tarwe meel (rondzwevend) en andere granen strict mijden.

Allergie tegen andere glutenbevattende granen

Enkele gevallen van allergische reacties tegen andere glutenbevattende granen (rogge, gerst, triticale) en tegen haver zijn bekend.

Bibliografie

  • Abenavoli L., Dlibasic M., Peta V., Turkulov V., De Lorenzo A., Medic-Stojanoska M. 2015. Nutritional profile of adult patients with celiac disease. Eur Rev Med Pharmacol Sci ; 19 :4285-4292.

  • Adriaanse M., Leffler D.A. 2015. Serum markers in the clinical management of celiac disease. Dig Dis ; 33(2): 236–243

  • Anania C., De Luca E., De Castro G., Chiesa C., Pacifico L. 2015. Liver involvement in pediatric celiac disease.  World J Gastroenterol; 21(19): 5813-5822.

  • Baar A., Pahr S., Constantin C., Scheiblhofer S., Thalhamer J., Giavi S., Papadopoulos N.G., Ebner C., Mari A., Vrtala S., Valenta R. 2012. Molecular and immunological characterization of Tri a 36, a low molecular weight glutenin, as a novel major wheat food allergen. J Immunol; 189:3018-3025.

  • Bhatia B.K., Millsop J.W., Debbaney M., Koo J., Linos E., Liao W. 2014. Diet and psoriasis: Part 2. Celiac disease and role of a gluten-free diet. J Am Acad Dermatol. ; 71(2): 350–358.

  • Biremont G. 2003. Technologie en boulangerie. CAP 1re et 2e années. Edition Delagrave. Paris. 256 p.

  • Bonciolini V., bianchi B., Del Bianco E., Verdelli AL, Caproni M. 2015. Cutaneous manifestations of non-celiac gluten sensitivity: clinical histological and immunopathological features. Nutrients; 7: 7798-7805.

  • Borghini R., Donato G., Di Tola M., Isonne C., Picarelli A. 2014. Mutatis mutandi: Are we diagnosing too many people with non-celiac gluten sensitivity? Multiple case report. Turk J Gastroenterol; 25: 319-22.

  • Caio G., Volta U., Tovoli F., De Giorgio R. 2014. Effect of gluten free diet on immune response to gliadin in patients with non-celiac gluten sensitivity. BMC Gastroenterology; 14:26.

  • Catassi C. 2015. Gluten sensitivity. Ann Nutr Metab;67(suppl 2):16–26.

  • Catassi C., Elli L., Bonaz B., Bouma G., Carroccio A., Castillejo G., Cellier C., Cristofori F., de Magistris L., Dolinsek J., Dieterich W., Francavilla R., Hadjivassiliou M., Holtmeier W., Körner U., Leffler D.A., Lundin K.E.A., Mazzarella G., Mulder C.J., Pellegrini N., Rostami K., Sanders D., Skodje G.I., Schuppan D., Ullrich R., Volta U., Williams M., Zevallos V.F., Zopf Y.and Fasano A. 2015. Diagnosis of Non-Celiac Gluten Sensitivity (NCGS): The Salerno Experts’ Criteria. Nutrients; 7: 4966-4977.

  • Cenit M.C., Olivares M., Codoner-Franch P., Sanz Y. 2015. Intestinal microbiota and celiac disease: cause, consequence or co-evolution? Nutrients; 7: 6900-6923.

  • Chinuki Y., Morita E. 2012. Wheat-dependent exercise-induced anaphylaxis sensitized with hydrolyzed wheat protein in soap. Allergology International;61:529-537.

  • Chmielewska A., Piescik-Lech M., Szajewska H., Shamir R. 2015. Primary prevention of celiac disease: environmental factors with a focus on early nutrition. Ann Nutr Metab;67(suppl 2):43–50.

  • Cianferoni A. 2016. Wheat allergy: diagnosis and management. Journal of Asthma and Allergy;9: 13–25.

  • Ciccocioppo R., Kruzliak P., Cangemi G.C., Pohanka M., Betti E., Lauret E., Rodrigo L. 2015. The Spectrum of Differences between Childhood and Adulthood Celiac Disease. Nutrients; 7: 8733–8751.

  • Czaja-Bulsa G. 2015. Non coeliac gluten sensitivity - A new disease with gluten intolerance. Clinical Nutrition; 34: 189-194.

  • D’Amico S. 1997. L’encyclopédie des aliments. Editions Fontaine. Paris. 688 p.

  • Denery-Papini S., Bodinier M., Larre C., Brossard C., Pineau F., Triballeau S., Pietri M., Battais F., Mothes T., Paty E., Moneret-Vautrin D.-A. 2012. Allergy to deamidated gluten in patients tolerant to wheat: specific epitopes linked to deamidation. Allergy; 67: 1023–1032.

  • de Sousa Moraes L.F., Grzeskowiak L.M., Fiche de Sales Teixeira T., do Carmo Gouveia Peluzio M. 2014. Intestinal Microbiota and Probiotics in Celiac Disease. Clinical Microbiology Reviews; 27 (3): 482-489.

  • Eaton W.W., Chen L.-Y., Dohan F.C., Kelly D.L., Cascella N. 2015. Improvement in psychotic symptoms after a gluten-free diet in a boy with complex autoimmune illness. Am J Psychiatry; 172(3): 219–221.

  • Elfström P., Sundström J., Ludvigsson J.F. 2014. Systematic review with meta-analysis: associations between coeliac disease and type 1 diabetes. Aliment Pharmacol Ther; 40: 1123–1132.

  • El-Salhy M., Hatlebakk J.G., Gilja O.H., Hausken T. 2015. The relation between celiac disease, nonceliac gluten sensitivity and irritable bowel syndrome. Nutrition Journal; 14-92:1-8.

  • Evans K.E., Sanders D.E. 2011. What is the use of biopsy and antibodies in coeliac disease diagnosis? Journal of Internal Medicine; 269: 572-581.

  • Fouda M.A., Khan A.A., Sultan M., Rios L.P., McASsey K., Armstrong D. 2012. Evaluation and management of skeletal health in celiac disease: Position statement. Can J Gastroenterol; 26(11):819-829.

  • García-Menaya J.M., Chiarella G.M., Cordobés-Durán C., Mahecha A.C., Bobadilla-González P. 2016. Rye-dependent exercise-induced anaphylaxis. Ann Allergy Asthma Immunol;117(5):566-568.

  • Grace-Farfaglia P. 2015. Bones of contention: bone mineral density recovery in celiac disease-A systematic review. Nutrients; 7:3347-3369.

  • Green P.H.R. & Cellier C. 2007. Celiac disease. N Engl J Med; 357: 1731-43.

  • Gutierrez-Achury J., Coutinho de Almeida R., Wijmenga C. 2011. Shared genetics in coeliac disease and other immunemediated diseases. J Intern Med; 269: 591-603.

  • Inoue T., Yagami A., Shimojo N., Hara K., Nakamura M., Matsunaga K. 2016. Case of immediate hypersensitivity to beer. J Dermatol;43(6):690-2. (abstract)

  • Isasi C., Colmenero I., Casco F., Tejerina E., Fernandes N., Serrano‑Vela J.I., Castro M.J., Villa L.F. 2014. Fibromyalgia and nonceliac gluten sensitivity: a description with remission of fibromyalgia. Rheumatol Int; 34:1607-1612.

  • Jackson J.R., Eaton W.W., Cascella N.G., Fasano A., Kelly D.L. 2012. Neurologic and psychiatric manifestations of celiac disease and gluten sensitivity. Psychiatr Q.; 83(1): 91-102.

  • Janczyk W., de Roo J.H.C., Schweizer J., Socha J., Socha P., Mearin M.L. 2015. Coeliac disease not responding to a gluten-free diet in children, case studies and literature review. Dev Period Med;XIX,2:162-166. 

  • Kang J.Y., Kang A.H.Y., Green A., Gwee K.A., HO K.Y. 2013. Systematic review: worldwide variation in the frequency of coeliac disease and changes over time. Aliment Pharmacol Ther; 38: 226-245.

  • Kelly C.P., Bai J.C., Liu E., Leffler D.A. 2015. Advances in diagnosis and management of celiac disease. Gastroenterology; 148(6): 1175–1186.

  • Koerner T.B., Cléroux C., Poirier C., Cantin I., Alimkulov A., Elamparo H. 2011. Gluten contamination in the Canadian commercial oat supply. Food Additives and Contaminants; 28(6): 705–710.

  • Kohno K., Matsuo H., Takahashi H., Niihara H., Chinuki Y., Kaneko S., Honjoh T., Horikawa T., MiharaS., Morita E. 2013. Serum gliadin monitoring extracts patients with false negative results in challenge tests for the diagnosis of wheat-dependent exercise-induced anaphylaxis. Allergology International;62:229-238.

  • Kumagai H., Suda A., Sakurai H., Kumagai H., Arai S., Inomata N., Ikezawa Z. 2007. Improvement of digestibility, reduction in allergenicity, and induction of oral tolerance of wheat gliadin by deamidation. Biosci Biotechnol Biochem;71 (4):977–985.

  • Lamacchia C., Camarca A., Picascia S., Di Luccia A., Gianfrani C. Cereal-based gluten-free food: how to reconcile nutritional and technological properties of wheat proteins with safety for celiac disease patients. 2014. Nutrients; 6:575-590.

  • Lasa J.S., Zubiaurre I., Soifer L.O. 2014. Risk of infertility in patients with celiac disease: a meta-analysis of observational studies. Arq Gastroenterol; 51 (2):144-150.

  • Laurière M., Pecquet C., Boulenc E., Bouchez-Mahiout I., Snégaroff J., Choudat D., aison-Peyron N., Vigan M., Branlard G. 2007. Genetic differences in omega-gliadins involved in two different immediate food hypersensitivities to wheat. Allergy;62:890–896.

  • Lebwohl B., Ludvigsson J.F., Green, P.H.R. Celiac disease and non-celiac gluten sensitivity. 2015. BMJ; 351: h4347.

  • Lionetti E., Leonardi S., Franzonello C., Mancardi M., Ruggieri M., Catassi C. 2015. Gluten psychosis: confirmation of a new clinical entity. Nutrients ;7:5532-5539.

  • Lucendo A.J., García-Manzanares A. 2013. Bone mineral density in adult coeliac disease: An updated review. Rev Esp Enferm Dig ; 105 (3):154-162.

  • Ludvicsson J.F. 2011. Progress towards solving the puzzle of coeliac disease. Journal of InternalMedicine:269; 558–559.

  • Ludvicsson J.F., Green P.H. 2011. Clinical management of coeliac disease. J Intern Med;269:560–571.

  • Matsuo H., Dahlstrçm J., Tanaka A., Kohno K., Takahashi H., Furumura M., Morita E. 2008. Sensitivity and specificity of recombinant x-5 gliadin-specific IgE measurement for the diagnosis of wheat-dependent exercise-induced anaphylaxis. Allergy: 63: 233–236.

  • Meresse B., Malamut G., Cerf-Bensussan N. 2012. Celiac disease: an immunological jigsaw. Immunity;36:907-919.

  • Merget R., Sander I., van Kampen V., Raulf M., Brüning T. 2016. Triticale allergy in a farmer. Am J Ind Med;59(6):501-5. (abstract)

  • Mooney P.D., Aziz I., Sanders D.S. 2013. Non-celiac gluten sensitivity: clinical relevance and recommendations for future research. Neurogastroenterol Motil; 25: 864–871.

  • Morita E., Chinuki Y., Takahashi H., Nabika T., Yamasaki M., Shiwaku K. 2012. Prevalence of wheat allergy in Japanese adults. Allergology International;61:101-105.

  • Nijeboer P., Bontkes H.J., Mulder C.J.J., Bouma G. 2013. Non-celiac gluten sensitivity. Is it in the gluten or the grain? J Gastrointestin Liver Dis; 22 (4): 435-440.

  • Nakamura M., Yagami A., Hara K., Sano A., Kobayashi T., Aihara M., Hide M., Chinuki Y., Morita E., Teshima R., Matsunaga K. 2014. A New reliable method for detecting specific IgE antibodies in the patients with immediate type wheat allergy due to hydrolyzed wheat protein: correlation of its titer and clinical severity. Allergology International;63:243-249.

  • Nam Y.-H., Hwang E.-K., Jung Jin Y., Lee J.M., Shin Y.-S., Ye Y.-M., Palacin A., Salcedo G., Lee S.-Y., Park H.-S. 2013. Comparison of Specific IgE Antibodies to Wheat Component Allergens in Two Phenotypes of Wheat Allergy. J Korean Med Sci; 28: 1697-1699.

  • Nubel. 2010. Table de composition des aliments.

  • Pagliari D., Urgesi R., Frosali S., Riccioni M.E., Newton E.E., Landolfi R., Pandolfi F., Cianci R. 2014. The interaction among microbiota, immunity, and genetic and dietary factors is the condicio sine qua non celiac disease can develop.

  • Pham-Short A., Donaghue K.C., Ambler G., Phelan H., Twigg S., Craig M.E. 2015. Screening for Celiac Disease in Type 1 Diabetes: A Systematic Review. Pediatrics ; 136 (1): e170-e176.

  • Prados-Castaño M., Piñero-Saavedra M., Leguisamo-Milla S., Pastor C., Cuesta J., Bartolomé B. 2016. Anaphylaxis Due to Oat Ingestion. J Investig Allergol Clin Immunol; Vol. 26(1): 68-69.

  • Rashid M., Butzner D., Burrows V., Zarkadas M., Case S., Molloy M., Pulido O., Switzer C. 2007. Consumption of pure oats by individuals with celiac disease: A position statement by the Canadian Celiac Association. Can J Gastroenterol ; 21 (10): 649-651.

  • Sanz Y. 2015. Microbiome and gluten. Ann Nutr Metab ;67(suppl 2):28–41.

  • Sapone A., Bai J.C., Ciacci C., Dolinsek J., Green P.H., Hadjivassiliou M., Kaukinen K., Rostami K., Sanders D.S., Schumann M., Ullrich R., Villalta D., Volta U., Catassi C., Fasano A. 2012. Spectrum of gluten-related disorders: consensus on new nomenclature and classification. BMC Medicine; 10(13): e1-e12.

  • Sarno M., Discepolo V., Roncone R., Auricchio R. 2015. Risk factors for celiac disease. Italian Journal of Pediatrics; 41(57):1-5.

  • Schmitz J., Garnier-Lengliné H. Diagnostic de la maladie cœliaque en 2008. 2008. Archives de pédiatrie; 15 : 456-461.

  • Sollid L.M., Khosla C. 2011. Novel therapies for coeliac disease. Intern Med;269: 604–613.

  • Song T.W., Hong J.Y., Lee K.E., Kim M.N., Kim Y.H., Lee S.-Y., Kim K.W., Sohn M.H., Kim K.-E. 2015. IgE reactivity to carbohydrate moieties of glycoproteins in wheat allergy. Allergy Asthma Proc 36:192–199.

  • USIPA (Union des Syndicats des Industries des Produits Amylacés et de leurs dérivés). Juillet 2013. Le gluten de blé : démêler le vrai du faux. http://www.usipa.fr/Docs/Questions_Reponses_GLUTEN_de_BLE_11_07_2013.pdf, consulté le 12/12/16.

  • Tersigny C., Castellani R., de Waure C., Fattorossi A., De Spirito M., Gasbarrini A., Scambia G., Di Simone N. 2014. Celiac disease and reproductive disorders: meta-analysis of epidemiologic associations and potential pathogenic mechanisms. Human Reproduction Update; 20(4): 582–593.

  • Valerii M.C., Ricci C., Spisni E., Di Silvestro R., De Fazio L., Cavazza E., Lanzini A., Campieri M., Dalpiaz A., Pavan B., Volta U., Dinelli G. 2015. Responses of peripheral blood mononucleated cells from non-celiac gluten sensitive patients to various cereal sources. Food Chemistry; 176:167–174.

  • Volta U., Bardella M.T., Calabro A., Troncone R., Corazza G.R. & The Study Group for Non-Celiac Gluten Sensitivity. 2014. An Italian prospective multicenter survey on patients suspected of having non-celiac gluten sensitivity. BMC Medicine;12:85.

  • Volta U., Caio G., Tovoli F., De Giorgio R. 2013. Non-celiac gluten sensitivity: questions still to be answered despite increasing awareness. Cellular & Molecular Immunology;10:383–392.

  • Van Gossum A. 2013. Journée annuelle de la S.B.C. du 13 octobre 2012. Exposé du Professeur André Van Gossum (transcription par Michel Eenens). Cœliaque-Info; 3: 10-29.

  • Welander A., Prüts K.-G., Fored M., Ludvicsson J.F. 2012. Increased risk of end-stage renal disease in individuals with coeliac disease. Gut;61:64-68.

 

 

 

 

   
© ciriha

Connexion